Welkom bij de Talenexpo, een reis door de geschiedenis van het taalonderwijs in Nederland

Geschiedenis van het talenonderwijs in nederland

Expozaal 2, 1860-1920: Opbouw

paragrafen: 5
illustraties: 69
mediafragmenten: 1

3.2 Examenprogramma's

Schriftelijk
De periode 1860-1920 was voor het vreemdetalenonderwijs een periode van experimenteren, zoals blijkt uit de steeds veranderende examenprogramma’s. Van 1868 tot 1901 was voor het schriftelijk hbs-examen een opstel voorgeschreven. Titels waaruit gekozen kon worden, waren aanvankelijk literair en historisch van aard. Voorbeelden voor Duits: Wilhelm Tell (1868), Peter der Große (1869), Oldenbarneveldt (1870), Das Märchen (1881), Maria Stuart (1882). Ook citaten van dichters waren in trek, bijvoorbeeld van Schiller over vaderlandsliefde (1872): ‘An’s Vaterland, an’s theure schliess dich an, Das halte fest mit deinem ganzen Herzen.‘

Maar die onderwerpen bleken toch te veel te vragen van de gemiddelde hbs-leerling. Men week uit naar actuele en/of algemene onderwerpen als Der Kanal von Suez (1869), Geschichte eines Zehnguldenscheins von ihm selbst erzählt (1889) of Meine Lehrjahre auf der Höheren Bürgerschule (1894).

Vanaf 1902 experimenteerde men met verschillende toetsvormen. Daardoor verschoof vaak het zwaartepunt van productieve naar receptieve beheersing en weer terug. Het opstel en andere vormen van wat tegenwoordig schrijfvaardigheid heet, werden afgewisseld met vertalingen van de vreemde taal naar de moedertaal. Vertalen naar de moedertaal was toen de overheersende oefen- en toetsvorm van wat we nu leesvaardigheid noemen.

Mondeling
Het mondeling examen moest over literatuurgeschiedenis gaan. Maar omdat in het examenprogramma stond dat de kandidaat "van de toepassing der taalregels behoorlijk rekenschap wete te geven", werden ook veel grammaticavragen gesteld, totdat deze bepaling in 1901 geschrapt werd.

Omdat er in de voorafgaande jaren veel geklaagd werd over de eis dat de kandidaat "de hoofdtijdvakken" van de literatuurgeschiedenis moest kennen, werd de eis beperkt tot "één of twee hoofdtijdperken". De kandidaat las een paar moderne romans en een klassiek stuk, hij moest de inhoud daarvan kennen en iets weten te vertellen over schrijver en tijd. In 1917 verviel voor de hbs de literatuurgeschiedenis geheel als eis: "Het onderzoek in de letterkunde blijft beperkt tot een bespreking van enige werken, die de kandidaat gelezen heeft uit twee harer hoofdtijdperken".

Op het gymnasium bestond het eindexamen in de drie moderne vreemde talen vanaf 1881 alleen uit een schriftelijke vertaling van de vreemde taal in het Nederlands.

Op het mulo-examen werd geen kennis van de literatuurgeschiedenis gevraagd, maar het mondeling examen ging meestal wel over gelezen boekjes.

Downloads

  1. » talenexpo bronnen 2 3 2